naarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets vervelends
    Ach, hoe gelukkig zijn zij die zo rein van hart zijn. O, wat is een vuil hart een modderpoel van schrik en naarheid, een spelonk van akelige duisternis en verschrikking. Een natuurlijk mens ziet dat niet. Toen u echter aan uzelf werd ontdekt, kwam het u dan zo niet voor? Was er toen nog iets gruwzamer dan uw boze hart? Reformatorisch Dagblad 25-08-2006 [https://www.rd.nl/kerk-religie/meditatie/aanbiddelijk-1.1270585 Aanbiddelijk]
    Zwaarheid en naarheid brengen een mens niet dichter bij God en Christus. Het is een klagen zonder inhoud, zonder verbrokenheid en zonder het inzicht dat we ook persoonlijk geoordeeld zullen worden. Reformatorisch Dagblad 01-06-2012 [https://www.rd.nl/opinie/columns/jezus-het-jawoord-geven-1.678523 Jezus het jawoord geven]

Etymologie

* afleiding van naar