nabuur
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die dicht in de buurt woontNiet voor niets heet de bouwcombinatie Noaber18: noaber zoals in het Twents/Achterhoekse begrip nabuur: de buurman met wie je verbonden bent in lief en leed. Hoewel veel Noaber18-medewerkers zich na voltooiing van de weg zullen terugtrekken, blijft de band deels bestaan: de aannemerscombinatie blijft de weg namelijk 25 jaar onderhouden.„Diverse klankkleuren worden eruit gelicht”, legt streektaalconsulent Harry Nijhuis uit. „Daarnaast laat de kaart ook overeenkomsten zien tussen het Neder- en Angelsaksisch. „Bekend voorbeeld is het Twentse woord noaber (nabuur) dat sterk lijkt op het woord neighbour uit het Angelsaksisch taalgebied.”
- bewoners van een aangrenzende gemeente, provincie of land
Vertalingen
Engelsneighbour
Spaansvecino
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek