piepzak

mannelijk (de)/ˈpipsɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) (oude) koffie opgekookt met melk en suiker
    Ze bood hem koffie aan, en toen hij geproefd had, zei hij: Noem je dit koffie? dat heette ‘piepzak’ op ons dorp, maar dan was er nog kaneel door.

Etymologie

*mogelijk van pijpzak, "doedelzak", omdat de vorm van een ouderwetse koffiekan aan dat instrument deed denken

Uitdrukkingen

  • In de piepzak zittenBang zijn vanwege dreigende problemen