piepzak
mannelijk (de)/ˈpipsɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (drinken) (oude) koffie opgekookt met melk en suikerZe bood hem koffie aan, en toen hij geproefd had, zei hij: Noem je dit koffie? dat heette ‘piepzak’ op ons dorp, maar dan was er nog kaneel door.
Etymologie
*mogelijk van pijpzak, "doedelzak", omdat de vorm van een ouderwetse koffiekan aan dat instrument deed denken
Uitdrukkingen
- In de piepzak zitten — Bang zijn vanwege dreigende problemen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek