pluis

mannelijk/vrouwelijk (de)/plœys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
    Een trui vol pluizen.
zelfstandig naamwoord
  1. droge, lichte stof met een open structuur
    Er zweven momenteel zoveel pluisjes rond, is dat een teken dat er veel stuifmeel in de lucht zit? Nee, het pluis is afkomstig van populieren en komt pas vrij na de bloei van deze bomen.

Etymologie

*: "pluizen" zonder de uitgang -en

Vertalingen

Engelsfluff, pill, safe
Fransflocon, sûr
DuitsFlocke, sicher
Spaanscopo, pelusilla