rammen

/ˈrɑmə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, militair, scheepvaart (ov) (militair) (scheepvaart) een opzettelijke botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
    Triremen waren toegerust om een vijandelijk schip te rammen.
  2. ov, militair (ov) (militair) (in een belegering) met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
    De Geuzen ramden de poort van Brielle en namen de stad in.
  3. ov, informeel, figuurlijk (ov) (informeel) (figuurlijk) in inelkaar ~: aframmeling geven, aframmelen, afranselen

Etymologie

* In de betekenis van ‘beuken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1637.

Vertalingen

Engelsram, batter, knock down
Franséperonner, embestir, défoncer
Duitsrammen, rammen
Portugeesderrubar