rammen
/ˈrɑmə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (militair) (scheepvaart) een opzettelijke botsing op een vijandelijk schip veroorzakenTriremen waren toegerust om een vijandelijk schip te rammen.
- (ov) (militair) (in een belegering) met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaanDe Geuzen ramden de poort van Brielle en namen de stad in.
- (ov) (informeel) (figuurlijk) in inelkaar ~: aframmeling geven, aframmelen, afranselen
Etymologie
* In de betekenis van ‘beuken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1637.
Vertalingen
Engelsram, batter, knock down
Franséperonner, embestir, défoncer
Duitsrammen, rammen
Portugeesderrubar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek