rijkdom
mannelijk (de)/ˈrɛiɡdɔm/
Wat is de betekenis van rijkdom?
rijkdom betekent: (economie) het bezitten van veel geld en goud
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) het bezitten van veel geld en goud
- het bezitten van andere waarden zoals geluk
- gewoonlijk meervoud de bezittingen die iemand rijk maken
- overvloed
Voorbeelden van "rijkdom" in een zin
- Hij leefde in grote rijkdom.
- De broeders vonden het ontoelaatbaar dat ze van het toppunt van waardigheid, invloed, macht en al die rijkdom naar beneden tuimelden door de lectuur van één boekje; daarom vielen ze de auteur aan.
- Het was vooral een herinnering aan al die dingen waaraan hij vermeed te denken, de laatste jaren tenminste, aan hoe makkelijk het was geweest om van armoede tot rijkdom te komen, al hield hij niet van dat woord.
- Hij had niet veel geld, maar beschouwde zijn gezin en zijn gezondheid als rijkdom.
- De rijkdommen die hij daar te zien kreeg, verbijsterden hem.
Etymologie
*Afgeleid van rijk .
Uitdrukkingen
- Klein gewin brengt rijkdom in. -- Kijk niet neer op kleine inkomsten
- Rijkdom en een dubbeltje kennen elkander. -- Kijk niet neer op kleine inkomsten
Vertalingen
Engelswealth
Fransrichesse
DuitsReichtum
Spaansriqueza
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek