steek

mannelijk (de)/stek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. penetratie met een scherp puntig voorwerp
    De steek met die dolk was diep genoeg om flinke schade te doen.
    Au! Door een felle steek stond ik ineens weer met beide voeten op de grond, ik had kennelijk op een ondergronds wespennest getrapt.
  2. korte scherpe pijn
    Hij kreeg ineens een steek in de zij.
  3. eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
  4. hoofddeksel (hoofddeksel) bepaald soort hoofddeksel met opgeslagen randen
  5. in de ~ laten: iemand verlaten in plaats van hulp te verlenen
    Hitler kende geen zelfkritiek. Hij weet dus alle schuld voor zijn falen aan zijn generaals die hem "verraden" hadden en ook aan het Duitse volk dat hem in de steek liet en dat daarom in Hitlers ogen in zijn historische missie had gefaald.
  6. informeel geen ~ (informeel) niets
    Rondom Albert hield iedereen even de adem in. Toen barstte het geschreeuw los. De smeerlappen. Die moffen zijn nog geen steek veranderd, wat een smerig tuig! Barbaren, enz. En dan ook nog een jonge en een oude man! {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

* In de betekenis van ‘driekantige hoed’ voor het eerst aangetroffen in 1807

Uitdrukkingen

  • in de steek laten
  • Steek houdenrelevant zijn, van toepassing zijn
  • (De beste breister) laat wel eens een steek vallen.ook diegene die het kundigst is maakt fouten
  • Een zondagse steek houdt geen week.er rust geen zegen op het werk dat iemand op zondag doet
  • Geen steek doenniets uitvoeren/doen
  • Geen steek houdenniet relevant zijn, niet van toepassing zijn
  • Iemand een steek onder water geventegen iemand lelijke dingen zeggen op een bedekte/verborgen wijze

Vertalingen

Engelsstab, stitch
Spaanspicadura, punzada