vullis

/ˈvʏləs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) overtollig materiaal dat wordt weggegooid
    De ambtenaren verzinnen steeds deftiger namen voor ons - gemeentereiniger en duobakbeladers en zo -, maar wat wij doen, is en blijft gewoon vullis ophalen.
  2. figuurlijk, pejoratief (figuurlijk) (pejoratief) iets of iemand zonder waarde waarvan je je beter kunt ontdoen
    Politieagent op nachtbezoek: ‘De Jordaan, voor mij mogen ze vanaf het Centraal station een bulldozer d'rover en moderne huizen d'rvoor in de plaats. Allemaal vullis, moet tegen de grond.’
  3. figuurlijk, scheldwoord (figuurlijk) (scheldwoord) walgelijk persoon of gezelschap
    Elke avond, elke nacht weer diezelfde optocht: Georgi, Lavrenti, Nikita, daar zijn ze weer - vullis en oplichters.

Etymologie

**[3] als scheldwoord aangetroffen vanaf 1644