vurigheid

vrouwelijk (de)/ˈvyrəxhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. heftigheid van gemoedstoestanden, hartstochten en driften
    Met grote vurigheid verdedigde de politicus de standpunten van zijn partij.
    De jongeman verklaarde met grote vurigheid zijn liefde aan het meisje van zijn dromen.

Etymologie

*afgeleid van vurig