wandelpas
mannelijk (de)/ˈwɑndəlˌpɑs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een manier van lopen waarbij men behoorlijk, maar ongehaast, doorlooptIk dacht dat ze nog vlakbij waren, maar ze hadden de wandelpas ingezet.
- één stap gezet op een bovengenoemde manier
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek