zeloot

mannelijk (de)/zeˈlot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die zich met enig fanatisme voor een bepaalde, vaak religieuze, zaak inzet
    Van die zeloten kun je geen verdraagzaamheid verwachten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ijveraar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Franszélote
Spaanszelote, fanático