zot

mannelijk (de)/zɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die zich dwaas gedraagt
    De circusclown komt voort uit de commedia dell’arte en het variété, en is een nakomeling van zot en nar: beroepsgekken die spotten met koning en burgers, de bestaande orde ondersteboven kieperden en ageerden tegen de heersende moraal.
  2. informeel (informeel) iemand met een psychische stoornis
  3. informeel (informeel) (Belgisch-Nederlands) iemand die zich door emoties overdreven fanatiek gedraagt
  4. kaartspel, informeel (kaartspel) (informeel) (Belgisch-Nederlands) boer als kaart van een bepaalde waarde

Etymologie

#(informeel) sterk afwijkend van verwachtingen en daardoor grappig

Uitdrukkingen

  • zot zijn van

Vertalingen

Engelscrazy, fool
Spaansestulto, extravagante, necio