zuster

vrouwelijk (de)/ˈzʏstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders, zus
    Johannes biedt zijn zuster een kijkje op de verkoop van tabak, kaneel en koffie, zijde en zout.
    Dit is haar eerste dag in Amsterdam en haar man en zijn zuster hebben haar nog geen enkele vraag gesteld, al geeft dit twistgesprek over geld haar de gelegenheid om haar bruidegom heimelijk te bestuderen.
  2. verpleegster in een ziekenhuis
  3. religie (religie) non, kloosterlinge
  4. vrouw die tot hetzelfde kerkgenootschap behoort
    'Waaraan is onze zuster Maren Brandt gestorven?' Nella ziet haar dode schoonzuster voor zich, de bebloede lakens, de pasgeboren Thea, de verstrengelde ledematen van Otto en Maren, hun geheimen diep in Marens levende lichaam begraven.
  5. vrouwelijke kameraad in een politieke strijd

Etymologie

:Andere: (: ἔορ (eor)), : स्वसृ (svásṛ), : քույր (k’uyr), : خواهر (ḵẖẉāhar), خوهر(ḵẖẉahar), : xᵛaŋhar-, : xwār, : خور (xowr), : ṣar, : ṣer

Vertalingen

Engelssister, nurse
Franssœur
DuitsSchwester
Spaanshermana, enfermera
Italiaanssorella
Portugeesirmã
Russischсестра
Chinees姐妹
Japans姉妹, お姉さん
Koreaans자매
Arabischاخت
Turksabla, kız kardeş, bacı
Poolssiostra
Zweedssyster
Deenssøster