aanhang
mannelijk (de)/ˈanhaŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het geheel van iemands helpers, volgelingen, partners, vrienden.De PvdA heeft vooral bij de arbeiders een grote aanhang.Als Maria ooit genoeg aanhang om haar vaandel verzamelde om de troon van Engeland te bevechten, en ze zou winnen, wat zou er dan worden van degenen die in opdracht van haar tegenstandster als haar cipier waren opgetreden? En bovendien, wat zou er gebeuren als zij ontsnapte? Walter zou niet graag in de schoenen staan van degene die aansprakelijk zou worden gesteld voor een dergelijke ramp.
Etymologie
* van aanhangen
Vertalingen
Engelsadherents, disciples, followers
Spaanscomitiva, cortejo, séquito
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek