afwezendheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet aanwezig zijn
    De afwezendheid der Koningin Johanna streelde hem met de blijde hoop dat Philippe le Bel niet overbiddelijk zijn zou.
    In onze afwezendheid zult gij onze broeder Gwyde als uw heer en Graaf gehoorzamen.

Etymologie

*afleiding van afwezend