braafheid

vrouwelijk (de)/'brafhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het braaf, netjes en gehoorzaam zijn, vaak ook in de betekenis van te netjes zijn
    „Je suis un vieux motherfucker” zingt hij op zijn nieuwe album Human Incognito, waarmee hij zich verzet tegen de braafheid en de harteloosheid in de rockmuziek van nu. Met zijn mengelmoes van Engels, Frans en een beetje Nederlands is hij een zeldzaam authentiek vertolker van de Vlaamse volksziel. NRC Jan Vollaard 23 februari 2016

Etymologie

*afleiding van braaf