interval

onzijdig (het)/ˈɪntərˌvɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de tijd tussen twee tijdstippen van een tijdlijn, of de afstand tussen twee punten van een lijn
  2. muziek (muziek) de telling van de tonen van een diatonische toonladder
    Het eerste interval van een diatonische toonladder heet prime.
  3. muziek (muziek) de afstand tussen twee verschillende tonen van een diatonische toonladder
    Het interval tussen de twee noten is een kwart.

Etymologie

*afgeleid van 'val' (wal); (tussen)

Vertalingen

Engelsinterval, interval
Fransintervalle, intervalle
DuitsIntervall, Intervall