periode

vrouwelijk (de)/periˈjodə/

Wat is de betekenis van periode?

periode betekent: bepaald tijdsbestek tussen twee tijdstippen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bepaald tijdsbestek tussen twee tijdstippen
  2. medisch (medisch) menstruatie
  3. wiskunde (wiskunde) interval waarin een functie zich herhaalt
  4. wiskunde (wiskunde) een groep cijfers die zich in een reeks blijft herhalen
  5. natuurkunde (natuurkunde) één volledige cyclus van zich herhalende verschijnselen als pulsreeksen, trillingen of golven
  6. scheikunde (scheikunde) een reeks elementen gerangschikt naar opklimmend aantal protonen tussen twee edelgassen
  7. geologie (geologie) een tijdperk dat deel uitmaakt van een era en bestaat uit subperiodes en tijdvakken
  8. taalkunde (taalkunde) een tekstgedeelte met breed uitgewerkte volzinnen

Voorbeelden van "periode" in een zin

  • Na de ontdekking van de zeeweg naar Indië volgde er een periode van grote bloei voor Portugal.
  • In deze periode van het jaar zijn er altijd bosbranden in het Amazonegebied. De vuren zijn meestal aangestoken door boeren. Zij verbranden bossen om de grond leeg te maken. Die grond gebruiken ze dan voor akkerbouw en veeteelt. Er is zelfs een naam voor deze periode van het jaar. De Brazilianen noemen het quiemada. Dat betekent 'het branden'. Maar dit jaar is er een recordaantal bosbranden. Er zijn veel meer branden dan vorig jaar.
  • Maar doordat ik voor zo’n langere periode van huis was besefte ik wel steeds meer hoe kostbaar tijd samen is.
  • Zij heeft bijzonder veel last van haar periode.
  • De sinus en cosinus zijn functies met een periode van 2π.

Etymologie

* van περίοδος (períodos) "rondgang", samengesteld uit περί (peri) "rond, omheen" en ὁδός (hodos) "weg, pad"

Vertalingen

Engelsperiod, menstrual period, periodic sequence
Franspériode, cycle menstruel, suite périodique
DuitsPeriode, Zyklus, Periode
Spaansperiodo, período, periodo
Poolsokres
Zweedsperiod