kotsen

/ˈkɔtsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, informeel (inerg), (informeel) de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
    Hij moest ervan kotsen.
  2. dysfemisme (dysfemisme) mondvocht/speeksel uitspugen

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘braken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562

Uitdrukkingen

  • Het is om van te kotsen(Letterlijk) Het is om erg ziek van te worden, ofwel: walgelijk/weerzinwekkend/vreselijk
  • kosten, stoken

Vertalingen

Engelspuke, barf
Fransgerber, dégobiller, dégueuler
Duitskotzen
Spaansprovocar