meute
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- oorspronkelijk een groep jachthonden die gebruikt wordt voor bijvoorbeeld de vossenjacht
- een grote groep mensen die als één geheel een doel lijkt te hebben terwijl de afzonderlijke individuen willoos lijken te volgenHet monumentale onderkomen in de voormalige Olympia Paleis-bioscoop uit 1913 vormt met 400 m2 en een aanbod van zo’n 42.000 gidsen, boeken, globes, kaarten en reisaccessoires een verleidelijk reizigersparadijs: hier klinkt in gids en kaart de lokroep van het trekken naar de uithoeken van de wereld. Wandelaar Martijn Daalder bereidt zijn reizen bij Pied à Terre voor: „Als je gangbare gidsen als leidraad neemt, zoals ANWB of zelfs Lonely Planet, dan sta je met de meute in de rij [...].” NRC Kester Freriks 23 februari 2017
Etymologie
* ontleend aan het Frans
Vertalingen
Engelspack, mob
Fransmeute, meute, foule
DuitsRotte, Pöbel, Menge
Spaansjauría, manada, multitud
Italiaansmuta
Portugeesmatilha
Poolssfora, zgraja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek