passen
/ˈpɑsə(n)/
Wat is de betekenis van passen?
passen betekent: (absol), (kleding) precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.)
Betekenis
werkwoord
- (absol), (kleding) precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.)
- (ov) zien of iets de juiste maat is
- (inerg) (kaartspel) (bridge) een biedbeurt voorbij laten gaan
- (intr) schikken, uitkomen, voegen, gelegen komen
- (intr) (spel) een beurt voorbij laten gaan
werkwoord
- (ov) (sport) (de bal) naar een medespeler spelen
Voorbeelden van "passen" in een zin
- Dit jasje past me goed.
- ‘How can I help you sir? Today’s special is the Caesar salad,’ zei een vrolijke jonge vrouw die niet helemaal in haar uniform paste.
- Die broek is al gepast en zit goed, nu deze nog even proberen.
- Daarna werd er drie keer gepast en zat hij met een ongelukkig bod aan zijn broek.
- Past het u dat ik morgen langs kom?
Etymologie
*[B] afgeleid van "pass"
Uitdrukkingen
- Aan iets een mouw weten te passen — een oplossing ergens voor weten
- Er is geen pot zo scheef, of er past wel een deksel op. — ook voor een minder mooi meisje is er een man te vinden
- In iemands kraam te pas komen — iets wat iemand nodig had
- passen en meten — proberen zaken in een beperkte ruimte te plaatsen
- Met passen en meten wordt de tijd versleten. — men moet het aanpakken en geen tijd met onbelangrijke dingen verspillen
- Op elk potje past een dekseltje. — bij iedereen en alles past wel iemand of iets
- Op zijn tellen passen — zeer goed opletten om niets fout te doen
- Te pas en te onpas
Vertalingen
Engelsfit
Fransaller
Duitspassen
Spaanscaber, quedar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek