passen

/ˈpɑsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. absol, kleding (absol), (kleding) precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.)
    Dit jasje past me goed.
    ‘How can I help you sir? Today’s special is the Caesar salad,’ zei een vrolijke jonge vrouw die niet helemaal in haar uniform paste.
  2. ov (ov) zien of iets de juiste maat is
    Die broek is al gepast en zit goed, nu deze nog even proberen.
  3. inerg, kaartspel, bridge (inerg) (kaartspel) (bridge) een biedbeurt voorbij laten gaan
    Daarna werd er drie keer gepast en zat hij met een ongelukkig bod aan zijn broek.
  4. intr (intr) schikken, uitkomen, voegen, gelegen komen
    Past het u dat ik morgen langs kom?
  5. intr, spel (intr) (spel) een beurt voorbij laten gaan
werkwoord
  1. ov, sport (ov) (sport) (de bal) naar een medespeler spelen

Etymologie

*[B] afgeleid van "pass"

Uitdrukkingen

  • Aan iets een mouw weten te passeneen oplossing ergens voor weten
  • Er is geen pot zo scheef, of er past wel een deksel op.ook voor een minder mooi meisje is er een man te vinden
  • In iemands kraam te pas komeniets wat iemand nodig had
  • passen en metenproberen zaken in een beperkte ruimte te plaatsen
  • Met passen en meten wordt de tijd versleten.men moet het aanpakken en geen tijd met onbelangrijke dingen verspillen
  • Op elk potje past een dekseltje.bij iedereen en alles past wel iemand of iets
  • Op zijn tellen passenzeer goed opletten om niets fout te doen
  • Te pas en te onpas

Vertalingen

Engelsfit
Fransaller
Duitspassen
Spaanscaber, quedar