passen
Wat is de betekenis van passen?
passen betekent: (absol), (kleding) precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.)
Betekenis
- (absol), (kleding) precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.)
- (ov) zien of iets de juiste maat is
- (inerg) (kaartspel) (bridge) een biedbeurt voorbij laten gaan
- (intr) schikken, uitkomen, voegen, gelegen komen
- (intr) (spel) een beurt voorbij laten gaan
- (ov) (sport) (de bal) naar een medespeler spelen
Voorbeelden van "passen" in een zin
- Dit jasje past me goed.
- ‘How can I help you sir? Today’s special is the Caesar salad,’ zei een vrolijke jonge vrouw die niet helemaal in haar uniform paste.
- Die broek is al gepast en zit goed, nu deze nog even proberen.
- Daarna werd er drie keer gepast en zat hij met een ongelukkig bod aan zijn broek.
- Past het u dat ik morgen langs kom?
Betekenis en uitleg van passen
Het woord 'passen' verwijst naar het geschikt of passend maken van iets, of het eenvoudigweg goed aansluiten bij een bepaalde situatie of context. Het kan ook betekenen dat iemand in staat is om zich aan te passen aan verschillende omstandigheden.
Je gebruikt 'passen' vaak wanneer je praat over kleding die goed aansluit of wanneer iets in een bepaalde context goed functioneert. Het kan ook gebruikt worden in sociale situaties, zoals zich aanpassen aan de sfeer van een gesprek of evenement. De nuance van 'passen' kan variëren van letterlijk (zoals maat van schoenen) tot figuurlijk (zoals het passen bij een groepsdynamiek).
Voorbeelden
- Die nieuwe jas past perfect bij je schoenen en maakt je outfit compleet.
- Ze voelt zich niet op haar gemak op dat feest omdat ze niet echt past bij de groep.
- Tijdens de vergadering moest hij zijn ideeën aanpassen zodat ze beter pasten bij de verwachtingen van het team.
Woordoorsprong
Het woord 'passen' komt van het Middelnederlandse 'passen', wat 'toepassen' of 'geschikt maken' betekent. Het is verwant aan het Engelse 'to pass'.
Veelgestelde vragen over passen
Wat is de betekenis van passen?
passen betekent: (absol), (kleding) precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.)
Hoeveel betekenissen heeft passen?
passen heeft 6 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Hoe gebruik je passen in een zin?
Voorbeeld: “Dit jasje past me goed.”
Etymologie
*[B] afgeleid van "pass"
Uitdrukkingen
- Aan iets een mouw weten te passen — een oplossing ergens voor weten
- Er is geen pot zo scheef, of er past wel een deksel op. — ook voor een minder mooi meisje is er een man te vinden
- In iemands kraam te pas komen — iets wat iemand nodig had
- passen en meten — proberen zaken in een beperkte ruimte te plaatsen
- Met passen en meten wordt de tijd versleten. — men moet het aanpakken en geen tijd met onbelangrijke dingen verspillen
- Op elk potje past een dekseltje. — bij iedereen en alles past wel iemand of iets
- Op zijn tellen passen — zeer goed opletten om niets fout te doen
- Te pas en te onpas