schoelje

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een laaghartig, verdorven persoon; vaak ook gebruikt om een hele groep mee aan te duiden
    Er was een explosie bij een zogeheten flow station, vermoedelijk teweeggebracht door schoelje, maar een woordvoerder ontkende dat er militairen in de buurt waren, laat staan dat er een gewapend treffen zou hebben plaatsgehad. de Standaard 27 MEI 2008
    Het schoelje van Midden-Noord maakte het in november dermate bont dat ADO Den Haag morgen zonder publiek moet spelen. De KNVB moet toch wat. Of juist niet? Nee, misschien moet de voetbalbond juist helemaal niets - de club duwt zichzelf steeds verder het moeras in, net zo lang tot het ooit zo roemruchte Alles Door Oefening zichzelf reduceert tot een paar opborrelende gasbellen. NRC Auke Kok 16 maart 2007
    Creatief ruziemaken met 210 variaties (de letter s): schijtlijster, schooier, snoodaard, sappie, schrielhannes, smuigerd, smiecht, schobbejak, schlemiel, schelm, schollekop, snotaap, stoethaspel, schoelje, schavuit, snoodaard, sukkelaar, schobbejak, schobbedebonk, schorem, slampamper, sjacheraar, schorriemorrie, serpent, slampamper, snoever, smeerkanis, slapjanus, stuk verdriet, stuk ongeluk Volkskrant Bergsma 17 november 2016
  2. maatschappij (maatschappij) een arm, berooid persoon

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, precieze etymologie onduidelijk; mogelijk van escoilli ("eunuch"), of escouillon, escouvillon ("ovendweil"). Het zou verder zijn te herleiden tot Latijn scopa ("bezem"). . In de betekenis van ‘bandiet, schurk’ voor het eerst aangetroffen in 1700

Vertalingen

Engelspiece of shit