stijgen

/ˈstɛiɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) naar boven gaan, toenemen
    Wandeling 24,5 kilometer, 530 meter stijgen en 820 meter dalen, 8 uur wandelen.
    De heteluchtballon steeg langzaam.
    De koersen zullen niet stijgen, eerder dalen.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands stīghen, uit Oudnederlands stīgan, ontwikkeld uit Oergermaans *stīgan- ‘omhooggaan, klimmen’, bij de Indo-Europese wortel *steigʰ- ‘stappen, stijgen’, waartoe ook Oudiers tíagu ‘ik ga, schrijd’, Oudgrieks steíkhein ‘gaan, lopen’ en Sanskrit stighnoti ‘hij loopt’ behoren. Evenals Nederduits stiegen, Duits steigen en Fries stige.

Vertalingen

Engelsgo up, rise
Fransmonter
Duitssteigen
Spaanssubir, ascender
Italiaansmontare, salire
Portugeesmontar, subir