derrie
mannelijk/vrouwelijk (de)/'dɛri/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) de diepe, donkerkleurige veenlaag
- iets wat heel vies en smerig is lijkend op stront, braaksel of andere viezigheidIk verloor een schoen in de zuigende modder, en mijn in kous gestoken voet zakte diep en met een soppend geluid weg in de derrie.
Etymologie
* (erfwoord): Naast Zaans derg ‘drijvend eiland van riet of veen’; Middelnederlands dari, darich, ontwikkeld uit Oergermaans *þarha(n)-, misschien bij Indo-Europees *terḱ ~ torḱ, waartoe ook Litouws ter̃šti ‘bevuilen; bemodderen; hooi en gras verspreiden’ behoort. Evenals Noors tar(r)e ‘zeewier; drijfhout’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek