hengst

mannelijk (de)/hɛŋst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onevenhoevigen, paardrijden (onevenhoevigen) (paardrijden) een al dan niet gecastreerd mannelijk paard
    Om voor volbloed nakomelingen te zorgen, paren ze die hengst aan die merrie.
  2. schertsend (schertsend) een vurige minnaar, een knappe man
    Die hengst stond op te scheppen over zijn spierballen.
  3. informeel (informeel) een knal of harde klap
    Voor zo'n hatelijke opmerking krijg je bij die kerel makkelijk een hengst.
  4. scheepvaart (scheepvaart) een vissersvaartuig van de Westerschelde
    De concurrentie tussen de traditionele hengsten en de gecommercialiseerde visserij wordt steeds groter.

Etymologie

* In de betekenis van ‘mannelijk paard’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701

Uitdrukkingen

  • boerenhengst
  • lompe vent
  • iemand een hengst voor z'n treiter verkopen
  • iemand een slag in z'n gezicht geven

Vertalingen

Engelsstallion, stud, thumb
Fransétalon, cheval entier, beigne
DuitsHengst, Hieb
Spaanssemental, garañón, estallido
Italiaansstallone
Portugeesgaranhão
Russischжеребец
Arabischحِصَان
Turksaygır
Poolsogier
Zweedshingst
Deenshingst