hengst
mannelijk (de)/hɛŋst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onevenhoevigen) (paardrijden) een al dan niet gecastreerd mannelijk paardOm voor volbloed nakomelingen te zorgen, paren ze die hengst aan die merrie.
- (schertsend) een vurige minnaar, een knappe manDie hengst stond op te scheppen over zijn spierballen.
- (informeel) een knal of harde klapVoor zo'n hatelijke opmerking krijg je bij die kerel makkelijk een hengst.
- (scheepvaart) een vissersvaartuig van de WesterscheldeDe concurrentie tussen de traditionele hengsten en de gecommercialiseerde visserij wordt steeds groter.
Etymologie
* In de betekenis van ‘mannelijk paard’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Uitdrukkingen
- boerenhengst
- lompe vent
- iemand een hengst voor z'n treiter verkopen
- iemand een slag in z'n gezicht geven
Vertalingen
Engelsstallion, stud, thumb
Fransétalon, cheval entier, beigne
DuitsHengst, Hieb
Spaanssemental, garañón, estallido
Italiaansstallone
Portugeesgaranhão
Russischжеребец
Arabischحِصَان
Turksaygır
Poolsogier
Zweedshingst
Deenshingst
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek