lading

vrouwelijk (de)/ˈladɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. transport (transport) goederen (cargo, vracht) die vervoerd worden
    Dat schip vervoert een lading staal.
  2. een grote hoeveelheid
    In de sneeuwstorm viel er een lading sneeuw.
    Ik was verheugd de CAMP Corsa Nanotech IJsbijl (205 gram) te zien, en de Kahtoola microspikes voor onder mijn schoenen in de sneeuw. Verder zaten er handschoenen, een lange wollen onderbroek, een sneeuwbril en een hele lading pillen in.
  3. natuurkunde (natuurkunde) opeengehoopte elektriciteit
    Door wrijving ontstaat ionisatie en hoopt zich lading op.
    Na drie uur laden met een laadstroom van 10 A heeft de accu een lading van 30 Ah opgenomen.
    In onweerswolken bevinden zich elektrisch geladen deeltjes. Door heftige bewegingen in de wolk ontstaat er een elektrische lading, waarbij de balans tussen positief en negatief geladen deeltjes is verstoord. Als die verstoring te groot wordt, moet er een zogenoemde ontlading plaatsvinden.
  4. taalkunde (taalkunde) de bijbetekenis die door een bepaald woord of een bepaalde zinsnede opgeroepen wordt
    Het woord heks draagt een negatieve lading.
    "De Guernica krijgt door de oorlog die we nu meemaken een enorme extra lading. Het schilderij is niet alleen een interessant kunsthistorisch object. Het leeft en de Oekraïners gebruiken dat", zegt historicus Hartmans.
  5. de explosieve inhoud van granaten en mijnen, of de munitie van vuurwapens
    De lading bestaat nu alleen nog maar uit conventionele granaten.

Etymologie

* van laden .

Uitdrukkingen

  • een vlag die de lading niet dekt.een bewering of benaming die niet in overeenkomst met de realiteit is

Vertalingen

Engelscargo, freight, load
Franscharge, chargement, charge
DuitsLadung, Ladung
Spaanscarga, cargamento, carga eléctrica
Turksyük, kargo, şarj
Zweedselektrisk laddning