piek

mannelijk (de)/pik/

Wat is de betekenis van piek?

piek betekent: een buiten de omgeving uitstekend deel, vrij lang en puntig

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een buiten de omgeving uitstekend deel, vrij lang en puntig
  2. wiskunde (wiskunde) natuurwetenschap: een signaal dat zich uit als een maximum in een kromme
  3. een kortstondige, sterke toename (van activiteit, aantallen en dergelijke)
  4. sport (sport) een (tijdelijk) optimale vorm waarin een uitzonderlijke prestatie kan worden geleverd
  5. kerst (kerst) een puntvormige versiering op de top van een kerstboom
  6. historisch, militair (historisch), (militair) lans, een wapen dat bestond uit een dunne stok met aan het uiteinde een metalen punt
  7. verouderd (verouderd) een muntstuk ter waarde van één gulden (vernoemd naar de muntafbeelding van de Nederlandse Maagd met een lans in haar hand)

Voorbeelden van "piek" in een zin

  • De bergbeklimmer was nog niet op die hoge piek geweest.
  • Die twee pieken overlappen te veel om ze goed te kunnen scheiden.
  • Het uitschakelen van zo'n elektromotor geeft een fikse piek op de netspanning.
  • De piek moet er bij de finale zijn, niet eerder.

Etymologie

** In de betekenis van ‘gulden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1906