tegen

onzijdig (het)/ˈteɣə(n)/

Betekenis

voorzetsel
  1. zijdelings aanleunend
    De fiets staat tegen de deur.
  2. oneens met, ter bestrijding van
    Er is geen middel tegen deze ziekte.
    Het raadslid stemde tegen het voorstel.
  3. voor of omstreeks een bepaalde tijd
    We gingen tegen de ochtend naar huis.
    Het liep tegen zevenen toen hij binnenkwam.
    Tegen de tijd dat hij het doorkreeg, was alles al verloren.
  4. de ontvangende persoon van een boodschap: aan
    Ik heb het tegen je gezegd.
  5. voor de prijs van
    Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers tegen een bal.
zelfstandig naamwoord
  1. negatief argument of negatieve kant
    Het tegen kreeg meer aandacht dan het voor.

Etymologie

* Middelnederlands tēghen, naast ouder tjēghen, samengetrokken uit te + jēghen, waarvoor zie jegens. Te diende daarin om aan te duiden in welke richting een handeling plaatsvond; vgl. Oudnederlands angegin, ingegen ‘tegemoet, in strijd met’. Evenzo gevormd zijn Nederduits tegen ‘tegen’ en Duits zugegen ‘aanwezig’; met genitiefuitgang Oudfries tōjēnis(t) en Oudengels tōgēanes.

Uitdrukkingen

  • vechten tegen de bierkaai
  • tegen de borst stuitenergens zwaar moeite mee hebben
  • tegen de draad ingaanhet er niet er mee eens zijn en er tegen in gaan
  • tegen de klippen op gaanaan een stuk doorgaan (met liegen)
  • tegen de lamp lopenbetrapt/gesnapt worden
  • tegen de maan blaffeniets doen wat totaal niet helpt
  • tegen de stroom oproeientegen de meerderheid ingaan
  • tegen de verdrukking in groeienondanks zware omstandigheden toch vooruit komen

Vertalingen

Engelsagainst, against
Franscontre
Duitsgegen
Spaanscontra
Italiaanscontro
Portugeescontra
Poolsprzeciw
Zweedsmot
Deensimod