tegen
onzijdig (het)/ˈteɣə(n)/
Wat is de betekenis van tegen?
tegen betekent: zijdelings aanleunend
Betekenis
voorzetsel
- zijdelings aanleunend
- oneens met, ter bestrijding van
- voor of omstreeks een bepaalde tijd
- de ontvangende persoon van een boodschap: aan
- voor de prijs van
zelfstandig naamwoord
- negatief argument of negatieve kant
Voorbeelden van "tegen" in een zin
- De fiets staat tegen de deur.
- Er is geen middel tegen deze ziekte.
- Het raadslid stemde tegen het voorstel.
- We gingen tegen de ochtend naar huis.
- Het liep tegen zevenen toen hij binnenkwam.
Etymologie
* Middelnederlands tēghen, naast ouder tjēghen, samengetrokken uit te + jēghen, waarvoor zie jegens. Te diende daarin om aan te duiden in welke richting een handeling plaatsvond; vgl. Oudnederlands angegin, ingegen ‘tegemoet, in strijd met’. Evenzo gevormd zijn Nederduits tegen ‘tegen’ en Duits zugegen ‘aanwezig’; met genitiefuitgang Oudfries tōjēnis(t) en Oudengels tōgēanes.
Uitdrukkingen
- vechten tegen de bierkaai
- tegen de borst stuiten — ergens zwaar moeite mee hebben
- tegen de draad ingaan — het er niet er mee eens zijn en er tegen in gaan
- tegen de klippen op gaan — aan een stuk doorgaan (met liegen)
- tegen de lamp lopen — betrapt/gesnapt worden
- tegen de maan blaffen — iets doen wat totaal niet helpt
- tegen de stroom oproeien — tegen de meerderheid ingaan
- tegen de verdrukking in groeien — ondanks zware omstandigheden toch vooruit komen
Vertalingen
Engelsagainst, against
Franscontre
Duitsgegen
Spaanscontra
Italiaanscontro
Portugeescontra
Poolsprzeciw
Zweedsmot
Deensimod
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek