tuigen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (verouderd) eruitzienHy hadt een kort gesneden pruikje op, dat niet onäartig tuigde, met een groot, breet, vry vurig aangezicht [.]Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara BurgerhartDrie en veertigste brief.Isaac van Cleef 's-Gravenhage 1782
- (verouderd) het ergens op aanbrengen van benodigdheden of versieringenZe waren nog bezig met het tuigen van de kerstboom.
- (ov) (scheepvaart) een zeilschip een bepaald tuigage gevenTientallen jaren voer het schip vracht op de motor, totdat een liefhebber het schip kocht en het weer tuigde als zeilschip.
- (dichterlijk) getuigenHij leefde in u, hij wou niets anders zijnDan de onlichaamlijk-stoffelooze geestDie door hand en penseel tuigde van u."Voetwassching"Albert Verwey, Het Zichtbaar Geheim, Deel I: Het Eigen Rijk, onderdeel: De Verborgene, pagina 66-69 Amsterdam (W. Versluys) 1915.
- (inerg) (veeteelt) geschikt zijn voor arbeid in een tuig van een paard[...] in de herfst werd er op Wychen - Hedel - of Gorcummarkt een „grasperd" gekocht, dat in de loop van winter en lente ,,aangeleerd" en na een of twee jaar, indien het goed tuigde en voor „vierkant eerlijk" kon worden meegegeven, met een flinke winst verkocht werd. .
- (ov) (veeteelt) een dier inspannen in een tuigDat paard wordt getuigd.
Etymologie
*hier komt de etymologie van het woord-->
Vertalingen
Engelslook, rig, testify
Fransgréer, harnacher
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek