watjekouw

mannelijk (de)/ˈwɑcəˌkɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spreektaal (spreektaal) harde vuistslag, vooral als die gericht is op iemands gezicht
    (…) ik krijg opvallend veel hatemail, en ik kan 's avonds niet meer alleen over straat zonder op zijn minst te worden uitgescholden. Eén keer is me in het café zelfs een watjekouw verkocht (…).

Etymologie

*verbastering onder zeelieden van "what" ("do") "you" "call"