gaping

vrouwelijk (de)/ˈɣɑpɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een opening, met name als het gaat over een opening in een verder aaneengesloten front
  2. mond
  3. ontbreken van voor de samenhang noodzakelijke onderdelen
    Dr. Brandt Corstius moet talrijke voorbeelden van echte en - dat moet de vakman de columnist toegeven - ook schijnbare germanismen op, zonder te besluiten of het verdwijnen van sommige (ik denk aan daadzaak, daarstellen) en het voortbestaan van andere (zich verdringen, middels) te verklaren is uit het optreden van publicisten, uit gapingen in onze taalvoorraad of uit andere oorzaken. NRC C.A. Zaalberg 3 mei 1991

Etymologie

* van gapen

Vertalingen

Engelshiatus