opgang

mannelijk (de)/ˈɔpxɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een weg, pad of trap die naar boven gaat
    Op zich had ik niets te klagen. Ik had een onderkomen met een eigen opgang en op zolder installeerde ik een surround system om films te kunnen kijken. Zo’n vrijgezellenhol.de Telegraaf 06 jun. 2017
  2. populair worden
    De printtechniek is na een stormachtige start geen modegril gebleken. De omzet uit de printers die objecten in laagjes opbouwen neemt ook dit jaar met 20% toe, vergeleken op jaarbasis, aldus ABN Amro en Berenschot. In bijvoorbeeld tandheelkunde maakt 3D snel opgang.de Telegraaf 08 mrt. 2017
  3. het naar boven gaan
    De prijs van koper, veel gebruikt in woninbouw en industrie, hervat zijn stormachtige opgang. Vooral de Chinese economische groei dit najaar stimuleert de prijs.de Telegraaf THEO BESTEMAN 26 jul. 2017
    De productie blijkt een goudmijntje voor genoteerde producenten van zulke graphics processing units zoals NVIDIA en AMD. Hun koers schoot sinds mei weer omhoog, na een forse opgang sinds 2015.de Telegraaf THEO BESTEMAN 19 jul. 2017
    De grote hoeveelheden olie die door speculanten worden ge- en verkocht zullen tussentijds voor ,,forse prijsstijgingen"zorgen, stelt Van Cleef. Momenteel daalt de olieprijs weer, na een korte opgang. De markt is volgens de bank toch ,,te negatief"over de toekomst van de meest verhandelde grondstof.de Telegraaf 19 jul. 2017
  4. het beginnen van iets
    In de vroege zondagmorgen, in het Duitse Viersen, kwam de halve finale maar moeizaam opgang.de Telegraaf 12 mrt. 2017

Etymologie

* van opgaan, op te vatten als

Vertalingen

Engelsstaircase, stairs, rising